Door Annemiek Rijckenberg & Wendy Springer
Op 19 december 2019 sloot R-LINK het jaar af met twee workshops in Groningen en Amsterdam, met als rode draad ”Burgerparticipatie: te veel gevraagd?”

Tegenover de vraag naar de meerwaarde van het werken met burgerinitiatieven in de ruimtelijke ordening, (willen gemeenten ze wel echt?) stond de constatering, dat erg hoge eisen aan burgerinitiatieven worden gesteld; kunnen de vrijwillige initiatiefnemers daar wel aan voldoen? 

Groningen

R-LINK Workshop 13 en 14

We beginnen het rondreizende circus in Groningen. Tijdens de eerste workshop reflecteren Carina Wiekens en Lynette Germes, Kim von Schönfeld, en ook Karin de Nijs op hun bevindingen.

Carina Wiekens en Lynette Germes doen onderzoek naar succes- en faal factoren van energie initiatieven, en op welke wijze bottom-up bewegingen samenkomen met top-down (landelijk, regionaal) beleid? Zij concludeerden dat er momenteel geen sprake is van een breed gedragen bottom-up beweging. Aangezien lokale initiatieven hun bestaansrecht grotendeels ontlenen aan de mate waarin ze een brede (lokale) bevolking kunnen representeren, is dat zorgelijk. Aandacht voor draagvlak, participatie, sociale innovatie, de samenwerking met lokale overheden en het onderling uitwisselen van kennis en ervaring, is de komende jaren belangrijk.

Kim von Schönfeld presenteerde over haar onderzoek over sociaal leren als een mogelijke meerwaarde van co-creatie in planning. Ze concludeerde onder meer dat sociaal leren wel een meerwaarde kán zijn, mits goed gekeken wordt naar de verschillende effecten, en wat ermee bereikt moet worden. Bijvoorbeeld kan het zijn dat in sommige gevallen de nadruk meer ligt op het versnellen van een proces, waarbij het vooral belangrijk is om ‘weten wie weet’ wat nodig is dan het zelf te leren, terwijl in andere gevallen juist veel interactie gewild is en hierdoor veel kennis wordt opgebouwd – zowel inhoudelijk als over het proces van samenwerking. Of dit goed uitpakt hangt af van hoe om wordt gegaan met kwaliteit in zowel proces als inhoudelijke discussies.

Karin de Nijs onderzoekt hoe de potentiële meerwaarde van initiatieven benut kan worden. Ze adviseert om strategische ambities naar passende kaders en (subsidie)criteria te vertalen. Er wordt nu bijvoorbeeld niet getoetst hoe parken bijdragen aan de doelstellingen van klimaatbestendigheid. Ook stelt ze dat het belangrijk is om actief ruimte te creëren voor verrijking door initiatieven. De meerwaarde zit vaak op het agenderen van nieuwe thema’s en ideeën. De vraag is: hoe leg je deze vast in ruimtelijke plannen?

Na een heerlijke lunch stappen we in de bus richting Almere Oosterwold.

Almere Oosterwold

De wandeling door Almere Oosterwold in prachtig polderlicht leverde veel discussie op. Het is een unieke plek, de uiterste ontwikkelfase van het tuinstadidee achter Almere. Ongedachte vrijheid en ruimte, en een paradijs voor zelfrealisatie met lage grondprijzen. Maar waarom zijn de regels die er wél zijn zo “lek”, waar het gaat om winst voor ontwikkelaars, en ontbreken ze, wanneer bewoners er toch echt mee geholpen zouden worden (wegen, afvalwater). 

Amsterdam

Dit was een mooie inleiding op de avondbijeenkomst in een druk bezocht Pakhuis de Zwijger. De projectleider van R-Link, Wendy Tan, liet zien waar het consortium nu staat, en hoe tot in het voorjaar van 2018 Léonie Janssen-Jansen actief bleef voor R-Link. Hier enkele hoogtepunten van de avond:

*De bewonersorganisatie in Hamburg (…) formuleerde regels en afspraken, die een aantal eeuwige dilemma’s uit de participatie halen, vanuit het principe “De stad is geen onderneming en een woning is geen product”!

Michiel Stapper bestudeerde deze wijken en ook de K-buurt in Amsterdam, en zijn bevindingen zijn op te vatten als één groot pleidooi om te stoppen  met wiebelige en willekeurige participatieladders, maar aan serieuze partnerschappen te werken.

De presentatie van Lilian van Karnebeek over een op het eerste gezicht suf onderwerp als de waterzuivering in Oosterwold leidde tot een boeiende discussie over de grenzen van individuele verantwoordelijkheid, een terugtrekkende overheid en de behoefte aan collectieve voorzieningen.

Menno van Veen ziet naast de traditionele trits van overheid, markt  en middenveld (non-gouvernementele organisaties, bijv. de milieubeweging) een vierde stoel staan in de gebiedsontwikkeling, die van de bewoners, lokale bedrijven en verenigingen. Kenmerk van succesvolle bewonersinitiatieven is dat ze vaak ‘dubbel genetwerkt’ zijn, dat wil zeggen: ze hebben goede contacten in de wijk, maar ook met lokale bestuurders en politici.

Verschillende kwesties hebben hun eigen projectcollectiviteit van alle betrokkenen.

Melika Levelt noemt de rol van intermediairs; niet alle in initiatieven komen van burgers of kunnen door hen tot een succes worden gemaakt. In de zaal zaten ook teleurgestelde burgers, die het gevoel hadden, dat niemand ze serieus nam. Enthousiaste verhalen uit Oost, van het Marine-terrein of uit Groningen konden de kloof tussen verwachtingen en resultaat niet dichten.