Tijdens een presentatie over planning innovaties in Wenen, (om precies te zijn: een ‘promotion zone’ die bedoelt is om sociale woningbouw en duurzaam bouwen te bevorderen), ontstaat een interessante discussie over het ‘falen’ van deze vorm van planning. Het falen zit `m erin dat de wens om schaarse grond te bestemmen voor sociale woningbouw, politiek niet haalbaar bleek en resulteerde in vrij zachte eisen (niet meer dan 150m2, thermodynamisch glas) om aanspraak te kunnen maken op de voordelen van de promotie-zone.

Hoe is het mogelijk dat de sociale noodzaak voor meer betaalbare woningen, zich niet vertaalt in de politieke keuzes die de betaalbaarheid realiseren?

Een van de antwoorden op die vraag komt van de presentatie van Greg Lloyd. Hij heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de gevolgen van neoliberalisme. De effecten van die ‘laissez faire’ en ‘vertrouwen-in-de-markt’ politiek zijn overal zichtbaar in het planning discours. Maar de gewenste trickle-down-effecten (de armen profiteren van de toegenomen welvaart van de rijken) blijven steeds uit. Overheden zijn er niet om op te komen voor de armen en de lagere middenklasse door middel van subsidies en ge- en verboden, maar om de markt en burgers te inspireren dit zelf te doen. En haar daarbij zo goed mogelijk te accommoderen. Zo gaat ongeveer de planningsretoriek.

Maar misschien moeten we ons, in ieder geval buiten Engeland, ook afvragen wat de term neoliberalisme nog verklaart. Neoliberaal plannen is een negatief woord geworden, en betekent bijna altijd dat er een virus in onze planningsystemen is gekropen dat eerst moet worden onderkend, en daarna moet worden gedood. De jacht op het onderkennen van neoliberale kenmerken van planning en politiek, heeft af en toe iets weg van de jacht op de Nederlandse identiteit. Iedereen heeft er een gevoel bij, maar er worden de vreemdste dingen onder geschaard.

Ze doet, in wetenschappelijke zin, ook denken aan de neomarxistische presentaties die de worstelingen van de sloppenwijkkinderen in Rio de Janeiro, moeiteloos gelijkstellen aan armoede in Stockholm (het is allemaal ‘arbeidersklassestrijd’). Soms zijn die lange-halen-gauw-thuis invalshoeken fascinerend en helpen ze je om je niet teveel te verliezen in de details van je eigen casus. Maar in de R-link casussen die we bestuderen, kom je absolute tegenstellingen tussen arm en rijk eigenlijk nooit tegen, en neoliberalisme is er (wanneer de respondenten aan het woord zijn) vaak meer een kroegterm dan dat het een verklaring biedt voor wat er wel en niet wordt besloten.

Misschien is het een aardig idee om eens te experimenteren met de vragen: – welke besluiten in de casus vind u ten goede komen aan de rijken en welke juist aan de armen (en wanneer spreekt u van arm of rijk). De antwoorden zouden wel eens heel divers kunnen blijken.

Categorieën: Blog